Je spaargeld staat stil, de prijzen lopen door

Op de Belgische spaarrekeningen staat zo'n 300 miljard euro, grotendeels bij grootbanken, tegen 0,60 procent. Met een inflatie van bijna 4 procent levert dat elk jaar koopkracht in, zonder dat er ooit een verlies op je uittreksel verschijnt.

Zo’n 300 miljard euro: zoveel geld staat er op de Belgische spaarrekeningen, volgens cijfers van de Nationale Bank (Test Aankoop, 14 april 2026). Nooit eerder waren de Belgische gezinnen samen zo vermogend. Maar de inflatie klom in augustus 2026 naar bijna 4 procent, terwijl de klassieke spaarrekening van de grootbanken nauwelijks beweegt. Wat kost dat verschil je precies, en wanneer wordt het de moeite waard om er iets aan te doen?

Wat kost een jaar stilstaan?

De Belgische inflatie versnelde in augustus voor de tweede maand op rij, vooral door de energieprijzen (VRT NWS, 28 augustus 2026). Op een klassieke spaarrekening betalen de grootbanken intussen 0,60 procent, basisrente en getrouwheidspremie samen (VRT NWS, 2 september 2026).

Stel dat je 25.000 euro een vol jaar op zo’n rekening laat staan, dan komt daar 150 euro rente bij. Om over twaalf maanden precies hetzelfde te kunnen kopen, had er bij die inflatie 992,50 euro bij gemoeten. Het gat bedraagt dus ruim 840 euro.

Je boekte geen enkele transactie en je bank rekende geen kosten aan. Je saldo groeide, je koopkracht kromp, en alleen dat eerste staat op je uittreksel.

Tien jaar stilstaan telt op

Eén jaar valt te overzien. Maar spaargeld dat blijft liggen, blijft doorgaans jaren liggen, en dan begint het verschil samengesteld te werken.

Stel dat de prijzen de komende tien jaar met gemiddeld 2 procent per jaar stijgen, de doelstelling van de Europese Centrale Bank, en dat je rente op 0,60 procent blijft. Van 25.000 euro maak je dan ruim 26.500 euro. Daarmee koop je over tien jaar wat je vandaag voor zo’n 21.800 euro in huis haalt.

Let wel: die 2 procent is een aanname, geen voorspelling. Ligt de inflatie structureel hoger, zoals vandaag, dan gaat het een pak sneller. Blijft ze lager, dan valt de schade mee.

Waarom die rente zo laag mag blijven

Omdat de wet het toelaat. Artikel 2 van het KB/WIB 92 legt een plafond op de basisrente van een gereglementeerde spaarrekening: hoogstens 3 procent, of de rente van de ECB als die hoger ligt. Een echte bodem legt de wet niet op. Volgens de FSMA moet de getrouwheidspremie bovendien minstens een kwart van de aangeboden basisrente bedragen, en een kwart van bijna niets blijft bijna niets.

Ondertussen verhoogde de ECB haar depositorente op 10 september 2026 naar 2,50 procent (bron). Zoveel krijgen de banken op wat zij bij de centrale bank parkeren. Jij krijgt op je klassieke rekening een fractie daarvan.

Toch is dat geen wet van de markt. Binnen exact dezelfde gereglementeerde formule geven andere rekeningen vandaag ruim 3 procent, basisrente en getrouwheidspremie samen, met een koploper op 3,33 procent (Test Aankoop, september 2026). Let wel: aan die toprentes hangen stortingslimieten van doorgaans enkele honderden euro’s per maand. Voor een rekening zonder limiet ligt het beste aanbod op 2,20 procent (Test Aankoop, 21 september 2026). Ook dat haalt de inflatie van vandaag niet, maar op hetzelfde bedrag scheelt het wel zo’n 400 euro per jaar.

Waarom voelt het dan als de veilige keuze?

Omdat een zichtbaar verlies pijn doet en een onzichtbaar verlies niet. Een beleggingsportefeuille die een slecht jaar draait, is een gebeurtenis: je ziet het staan en je denkt aan verkopen. Een spaarrekening die tien jaar lang stil koopkracht afgeeft, doet ongeveer hetzelfde werk, maar zonder dat ene moment waarop iemand zegt dat het nu gebeurt.

Bovendien volgt de rest van je financiële leven de index wél. Omdat de spilindex in juni 2026 overschreden werd, kregen de sociale uitkeringen en de wedden van het overheidspersoneel er in september 2 procent bij, al geldt die volle verhoging deze keer alleen op de eerste schijf van het brutobedrag (Partena Professional). Je spaarrekening krijgt zo’n correctie nooit.

Waar de spaarrekening niet te kloppen valt

Dat betekent niet dat je spaarrekening een vergissing is. Voor drie soorten geld bestaat er gewoon geen beter product:

  • Je buffer. Drie tot zes maanden vaste kosten, meteen opvraagbaar en zonder koersrisico.
  • Geld met een datum binnen twee jaar. Denk aan de verbouwing, het voorschot of de auto die op vervanging staat.
  • Geld waar je zenuwachtig van wordt. Weet je van jezelf dat je verkoopt zodra de markt een slechte maand draait, dan ben je beter af met een rekening die niet beweegt.

Het probleem zit in het vierde deel: geld zonder bestemming en zonder termijn, dat er al jaren staat omdat er nooit een moment was om erover na te denken. Bij de meeste mensen is dat stuk groter dan ze vermoeden.

Tussen dat vierde deel en de beurs ligt trouwens een hele reeks tussenvormen. Denk aan een termijnrekening met een looptijd die bij je horizon past of aan een staatsbon. Die formules zetten je geld voor een afgesproken periode vast, en net daarom horen ze niet thuis in je buffer.

Splits je saldo dus eerst in die vier delen op, want pas dan weet je over welk bedrag het gesprek eigenlijk gaat.

Bronnen

Dit artikel is algemene informatie, geen beleggings-, fiscaal of juridisch advies. De redactie haalt haar informatie uit betrouwbare bronnen, maar kan niet instaan voor de juistheid of de actualiteit ervan en is niet aansprakelijk voor schade als die informatie onjuist of verouderd blijkt. Cijfers en regels wijzigen: toets je eigen situatie altijd af bij je bank, verzekeraar, notaris of adviseur. Fout gespot? Neem contact op.

inflatiekoopkrachtspaarrekeningreëel rendementspaarrente

Verder lezen

Alle artikels →