Naslag

Woordenlijst

De vaktermen uit de artikels, in gewone woorden. Kom je in een artikel een onderlijnd woord tegen, dan brengt een klik je meteen naar de juiste uitleg hier.

Aandeel
Een klein stukje eigendom van een bedrijf. Gaat het bedrijf beter, dan stijgt je aandeel doorgaans in waarde en keert het bedrijf soms een deel van de winst uit. Gaat het slecht, dan kan je aandeel veel minder waard worden.
Aanslagjaar
Het jaar waarin je belastingaangifte indient, voor de inkomsten van het jaar ervoor. Voor aanslagjaar 2026 vul je dus in 2026 je aangifte in met je inkomsten van 2025.
Abattement
Een vermindering op wat je aan registratierechten betaalt. In Brussel geldt zo'n vermindering onder bepaalde voorwaarden voor wie een woning koopt.
Afstand van verhaal
Een clausule in de brandverzekering van een verhuurder. Veroorzaakt de huurder schade die de polis dekt, dan kan de verzekeraar van de verhuurder die schade niet op de huurder verhalen. De inboedel van de huurder en schade aan de buren blijven wel voor rekening van de huurder.
Arbeidsongeschiktheid en invaliditeit
Wie door ziekte of een ongeval niet kan werken, is arbeidsongeschikt. Het eerste jaar heet dat primaire arbeidsongeschiktheid, daarna spreek je van invaliditeit. Als werknemer betaalt je werkgever eerst nog een tijd je loon door. Daarna krijg je een uitkering van het ziekenfonds, maar die ligt een pak lager dan je loon en is aan een maximum gebonden.
Arbeidsongeval
Een plotse gebeurtenis die een werknemer letsel bezorgt tijdens het werk of op weg van en naar het werk. De werkgever sluit daarvoor een arbeidsongevallenverzekering af, die de medische kosten en een deel van het loon betaalt.
Basisloon (arbeidsongeval)
Het loon dat je in het jaar voor een arbeidsongeval verdiende. Daarop berekent de verzekeraar je vergoeding, met een bovengrens voor hoge lonen.
Basisrente
De rente die een gereglementeerde spaarrekening betaalt op elke euro, ten laatste vanaf de dag na de storting. Bovenop de basisrente komt de getrouwheidspremie, voor geld dat lang genoeg blijft staan.
Bedrijfsvoorheffing
Een voorschot op je belasting dat vooraf wordt ingehouden op een loon of een uitkering. Je ontvangt dan minder bruto, maar je betaalt al een deel van je belasting.
Belastingvermindering
Een bedrag dat rechtstreeks afgaat van de belasting die je moet betalen. Betaal je weinig of geen belasting, dan heb je er meestal weinig of niets aan, want het verschil krijg je doorgaans niet uitbetaald.
Beleggingsfonds
Een pot waarin het geld van veel beleggers samenkomt. Een fondsbeheerder belegt dat geld volgens een vooraf bepaalde strategie in bijvoorbeeld aandelen en obligaties. Zo kan je met een klein bedrag toch spreiden, maar de waarde van je deel kan ook dalen.
Beschikbaar deel
Het deel van je nalatenschap waarover je vrij beslist, bijvoorbeeld in een testament. Het andere deel, de reserve, is wettelijk voorbehouden aan bepaalde erfgenamen, zoals je kinderen.
Beurstaks (TOB)
De taks op beursverrichtingen, afgekort TOB. Het is een kleine belasting die je meestal betaalt wanneer je aandelen, obligaties of fondsen koopt of verkoopt via een bank of broker. Het tarief hangt af van het soort product, en per verrichting geldt een maximumbedrag.
Bewindvoerder
Iemand die de vrederechter aanstelt om de zaken te regelen van een persoon die dat zelf niet meer kan. Dat kan een familielid zijn, maar ook een advocaat. De bewindvoerder brengt elk jaar verslag uit en heeft voor sommige beslissingen toestemming van de rechter nodig.
Bijpremie
Een extra bedrag bovenop de gewone premie dat een verzekeraar vraagt als je gezondheid een hoger risico betekent. Hij moet uitleggen waarom hij het vraagt.
Blote eigendom
De eigendom van iets, zonder het recht om het te gebruiken of er de opbrengst van te krijgen. Dat recht, het vruchtgebruik, ligt bij iemand anders. Bij een erfenis krijgen kinderen vaak de blote eigendom van de gezinswoning, terwijl de langstlevende partner er mag blijven wonen.
Brandverzekering (woonverzekering)
Een verzekering voor je woning en je inboedel. Ondanks de naam dekt ze veel meer dan brand: ook storm, hagel, sneeuw- of ijsdruk, natuurrampen en aanslagen zitten er verplicht in. Waterschade, glasbreuk en elektriciteit voegen de meeste verzekeraars standaard toe, diefstal is een optie.
Bronheffing
Belasting die het land van een bedrijf al inhoudt op een dividend, voor het geld bij jou aankomt. Bij buitenlandse aandelen komt de Belgische roerende voorheffing daar vaak nog bovenop.
Burgerlijke aansprakelijkheid
De plicht om schade te vergoeden die je door een fout of onvoorzichtigheid aan iemand anders bezorgt. Een verzekering burgerlijke aansprakelijkheid, afgekort BA, neemt die vergoeding over, in je privéleven bijvoorbeeld via de familiale verzekering.
Car-Pass
Een document met de kilometerstanden die in de loop der jaren van een tweedehandswagen zijn geregistreerd. Elke verkoper, ook een particulier, moet een geldige Car-Pass geven.
Centraal Register voor Testamenten (CRT)
Een register waarin een notaris laat noteren dat een testament bestaat: wie het opstelde, bij welke notaris het ligt en welke datum erop staat. De inhoud staat er niet in. Alleen een notaris kan een testament laten inschrijven, jijzelf niet.
Compromis (verkoopovereenkomst)
De overeenkomst waarin koper en verkoper de verkoop van een woning vastleggen. Daarna volgt de notariële akte, waarmee de verkoop definitief is.
Coupon
De interest die een obligatie of staatsbon jaarlijks uitbetaalt. Het bedrag ligt vanaf de uitgifte vast en wordt berekend op het geleende bedrag. Daarvan gaat nog roerende voorheffing af.
Depositobescherming
Een waarborg op het geld dat je bij een bank hebt staan. Gaat een bank met hoofdzetel in België failliet, dan krijg je via het Garantiefonds tot 100.000 euro per persoon en per bank terug. Heeft je bank haar hoofdzetel in een ander Europees land, dan beschermt het fonds van dat land je geld.
Depositoladder
Je verdeelt je spaargeld over meerdere termijnrekeningen met verschillende looptijden, bijvoorbeeld van één tot vijf jaar. Elke rekening komt op een ander moment vrij, zodat je niet in één keer moet kiezen voor hoelang je geld vastzit.
Depositorente
De rente die de Europese Centrale Bank aan banken betaalt voor geld dat ze bij haar parkeren. Het is haar belangrijkste instrument: trekt de ECB die rente op, dan volgen de meeste andere rentes in de economie, ook die op spaarrekeningen en leningen.
Dividend
Het deel van de winst dat een bedrijf uitkeert aan wie er aandelen van heeft. Op een dividend houdt je bank eerst roerende voorheffing af, zodat je het bedrag na belasting ontvangt.
Doorlopende opdracht
Een overschrijving die je bank automatisch uitvoert, telkens op dezelfde dag en voor hetzelfde bedrag, bijvoorbeeld elke maand van je zichtrekening naar je spaarrekening.
Dubbelbelastingverdrag
Een afspraak tussen twee landen over hoeveel belasting elk land op hetzelfde inkomen mag heffen. Voor dividenden betekent dat vaak een lagere bronheffing, bijvoorbeeld 15 procent in plaats van 30 procent.
ECB
De Europese Centrale Bank, de centrale bank van de landen die de euro gebruiken. Ze moet de prijzen stabiel houden en mikt op een inflatie van 2 procent. Daarvoor stuurt ze de rente: hoger om de inflatie af te remmen, lager om de economie aan te zwengelen.
Eigen inbreng
Het deel van de aankoop dat je met eigen geld betaalt, bijvoorbeeld uit spaargeld of met hulp van je ouders. De bank houdt er rekening mee bij het bepalen van het bedrag dat ze je wil lenen.
Emittent
De uitgever van een obligatie: het bedrijf of de overheid die geld leent van beleggers en daarvoor interest betaalt.
Ereloon
Het loon van de notaris voor zijn werk. Het ligt wettelijk vast: een percentage van de koopsom volgens een schaal waarbij een duurdere woning een lager percentage betekent. Het is bij elke notaris hetzelfde. Er komt btw bovenop.
Erfbelasting
De belasting die je betaalt op wat je erft. In Vlaanderen heet ze erfbelasting, in Brussel en Wallonië successierechten. Hoeveel je betaalt, hangt af van het gewest waar de overledene de laatste vijf jaar het langst woonde, van je band met die persoon en van het bedrag.
Essentiële-informatiedocument (KID)
Een standaarddocument van een paar bladzijden dat je vóór je aankoop van een beleggingsfonds of ander beleggingsproduct moet krijgen. Het zegt in gewone taal wie het fonds beheert, wat het kost en hoe risicovol het is, met een score van 1 tot 7. Zo kan je producten makkelijk met elkaar vergelijken.
ETF
Een Exchange Traded Fund: een beleggingsfonds dat je op de beurs koopt en verkoopt zoals een aandeel. De meeste ETF's volgen een index, bijvoorbeeld de grootste bedrijven ter wereld. Met één aankoop spreid je je geld dus over honderden bedrijven, en omdat de beheerder geen aandelen hoeft te kiezen, zijn de kosten laag.
Evenredigheidsregel
Is je woning te laag verzekerd, dan mag de verzekeraar bij schade maar een deel uitbetalen, in verhouding tot hoeveel te laag je verzekerd was. Bepaal je de waarde met het evaluatierooster van je verzekeraar, dan mag hij die regel niet toepassen.
Familiale verzekering
Een verzekering burgerlijke aansprakelijkheid voor je gezin. Ze betaalt de schade die jij, je partner of je kinderen in het dagelijks leven per ongeluk aan iemand anders toebrengen, bijvoorbeeld als je kind met de fiets een geparkeerde auto raakt.
Febelfin
De federatie van de Belgische financiële sector. Ze verenigt de banken, maar ook onder meer kredietgevers, vermogensbeheerders en beursvennootschappen.
Forfaitaire uitkering
Een uitkering met een vast bedrag. Het bedrag hangt niet af van wat je vroeger verdiende, maar van je gezinssituatie. Zelfstandigen krijgen zo'n uitkering van het ziekenfonds als ze arbeidsongeschikt zijn.
Fotomoment
De waarde van je beleggingen op 31 december 2025. Voor de meerwaardebelasting is dat het vertrekpunt: winst die je vóór die datum opbouwde, blijft onbelast.
FSMA
De Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten, de Belgische toezichthouder op de financiële markten. Ze kijkt onder meer na of banken en verzekeraars hun producten correct verkopen, en ze beheert Wikifin, een site met uitleg over geldzaken.
Geoorloofde debetstand
De mogelijkheid om tot een afgesproken bedrag onder nul te gaan op je zichtrekening. Het is een vorm van krediet: op dat negatieve saldo betaal je rente.
Gereglementeerde spaarrekening
De gewone spaarrekening zoals je die bij de meeste banken hebt. Ze moet aan wettelijke voorwaarden voldoen, bijvoorbeeld over hoe de rente is opgebouwd. In ruil daarvoor is de interest tot een bepaald bedrag per jaar vrij van belasting.
Getrouwheidspremie
Een extra rente op een gereglementeerde spaarrekening, voor geld dat twaalf maanden aan één stuk bij dezelfde bank op zo'n rekening blijft staan. Haal je het eerder weg, dan krijg je de premie op dat bedrag niet.
Groepsverzekering
Een aanvullend pensioen dat je via een verzekeringsonderneming opbouwt en dat je werkgever (deels) betaalt. Werkgevers moeten dat niet aanbieden, tenzij een sector of cao het oplegt.
Hypothecair krediet
Een lening om een woning te kopen, te bouwen of te verbouwen. De woning dient als onderpand: betaal je niet terug, dan mag de bank ze laten verkopen om haar geld terug te krijgen. In de volksmond heet het gewoon een woonlening.
Inboedel
Alles in je woning wat je bij een verhuizing zou meenemen, van meubels en kleren tot je laptop. In een brandverzekering verzeker je de inboedel apart van het gebouw.
Inflatie
Hoeveel de prijzen in een jaar stijgen. Bij een inflatie van 3 procent kost wat vorig jaar 100 euro kostte, nu 103 euro. Brengt je spaargeld minder op dan de inflatie, dan kun je er elk jaar minder mee kopen.
Izimi
Een gratis digitale kluis van het Belgische notariaat. Je bewaart er documenten in, zoals foto's of facturen, en je kiest wat er na je overlijden mee gebeurt.
Kapitalisatie en distributie
Twee versies van hetzelfde fonds. Bij distributie keert het fonds de opbrengsten geregeld aan je uit. Bij kapitalisatie belegt het ze opnieuw, zodat ze in de waarde van je deel van het fonds zitten en je pas iets ontvangt als je verkoopt.
Kasbon
Een lening die je aan je bank toekent voor een vaste looptijd, meestal 1 tot 15 jaar. De bank betaalt je er rente voor, en die rente ligt vast op het moment dat je de kasbon koopt.
Koopkracht
Hoeveel je met een bepaald bedrag kunt kopen. Stijgen de prijzen sneller dan je inkomen of je spaargeld, dan daalt je koopkracht: voor hetzelfde geld krijg je minder in je winkelmandje.
Kredietakte
De akte waarin je lening bij de notaris wordt vastgelegd, samen met de hypotheek op je woning. Ze komt bovenop de akte van de aankoop zelf, en daarvoor betaal je een apart ereloon.
Lasthebber
De persoon die je in een volmacht of zorgvolmacht aanduidt om in jouw naam te handelen. Jij bent de lastgever, hij of zij de lasthebber.
LIFO-principe
Afkorting van het Engelse 'last in, first out': wat het laatst binnenkwam, gaat het eerst weer buiten. Bij een spaarrekening gaat de bank ervan uit dat je eerst je jongste stortingen opneemt, zodat het oudste geld het dichtst bij zijn getrouwheidspremie blijft.
Limietorder
Een koop- of verkooporder waarbij je zelf een prijsgrens vastlegt. Bij een aankoop bepaal je de hoogste prijs die je wilt betalen, bij een verkoop de laagste prijs die je aanvaardt. Is de grens onrealistisch, dan wordt je order niet uitgevoerd.
Lopende kosten
Wat een fonds je elk jaar aanrekent voor beheer en werking, uitgedrukt als percentage van wat je erin belegd hebt. Je betaalt ze niet apart: ze gaan ongemerkt van je rendement af.
Meerwaarde en minderwaarde
Een meerwaarde is de winst die je maakt als je iets duurder verkoopt dan je het kocht. Een minderwaarde is het omgekeerde: een verlies. Zolang je niet verkoopt, staat die winst of dat verlies alleen op papier.
Meerwaardebelasting
Een belasting van 10 procent op de winst die je maakt wanneer je onder meer aandelen, fondsen, obligaties of crypto verkoopt. Alleen winst die na 31 december 2025 is opgebouwd, telt mee. Per persoon en per jaar is een eerste bedrag aan winst vrijgesteld, en pensioensparen valt erbuiten.
Minnelijke schikking
Een overeenkomst waarmee twee partijen hun conflict oplossen zonder dat een rechter beslist. Bij een rechtsbijstandsverzekering probeert de verzekeraar meestal eerst zo'n schikking te bereiken. Lukt dat niet, dan gaat de zaak naar de rechtbank.
MSCI World
Een beursindex met ruim duizend grote en middelgrote bedrijven uit 23 rijke landen. Veel wereldwijde ETF's volgen die index. Bedrijven uit groeilanden zoals China, India of Brazilië zitten er niet in.
Muntrisico
Het risico dat de waarde van je belegging verandert omdat een munt tegenover de euro stijgt of daalt. Dat kan in je voordeel werken, maar ook in je nadeel. Wie enkel in producten in euro belegt, loopt dit risico niet rechtstreeks.
Nominale waarde
Het bedrag dat bij de uitgifte aan een obligatie wordt toegekend en dat je op de vervaldag doorgaans terugkrijgt. Op de beurs staat de prijs van een obligatie in procent van die nominale waarde: aan 104 procent kost een obligatie van 2.000 euro dus 2.080 euro.
Notariële akte
Het officiële document dat een notaris opstelt. Bij de aankoop van een woning moet de verkoop in zo'n akte staan. Pas dan wisselt de woning officieel van eigenaar.
Obligatie
Een lening aan een overheid of een bedrijf, in een vorm die je kunt kopen en verkopen. Je krijgt er rente op, en op de einddatum krijg je je inleg terug, tenzij de uitgever intussen niet meer kan betalen.
Omnium
Een aanvullende autoverzekering die ook schade aan je eigen wagen vergoedt. Een mini-omnium dekt minder risico's dan een volledige omnium. De dekking en de voorwaarden staan in je polis.
Opt-in en opt-out
De twee manieren om de meerwaardebelasting te betalen. Bij opt-in houdt je bank de belasting meteen af bij elke verkoop met winst. Bij opt-out houdt ze niets af, maar meldt ze je verkopen aan de fiscus, en geef je de winst zelf aan in je belastingaangifte.
Overlevingspensioen
Een pensioen dat de langstlevende partner krijgt op basis van de loopbaan van wie overleed. Alleen gehuwden hebben daar recht op, samenwonenden niet.
Pensioensparen
Sparen voor later via een pensioenspaarfonds of een pensioenspaarverzekering, waarbij je een belastingvermindering krijgt van 30 procent tot het gewone plafond, of 25 procent als je het hogere plafond kiest. Op je 60ste betaal je een eindbelasting van 8 procent op wat je hebt opgebouwd.
Plaatsvervulling
Een regel uit het erfrecht: is een erfgenaam al overleden, dan nemen zijn of haar kinderen zijn plaats in. Overleed een broer of zus van de erflater, dan erven de kinderen van die broer of zus het aandeel dat hun ouder zou gekregen hebben.
Premietaks
Een belasting van 2 procent op wat je als particulier stort in een levensverzekering, zoals een tak 21 of een tak 23. De verzekeraar houdt ze af voor je geld belegd wordt. Op pensioensparen via een verzekering betaal je die taks niet.
Private key
Een geheime code waarmee je over je cryptomunten beschikt. Wie de code kwijtraakt, kan niet meer aan de munten, en er is geen bank die een nieuwe geeft.
Quotiteit
De verhouding tussen het bedrag dat je leent en de waarde van de woning. Leen je 200.000 euro voor een woning van 250.000 euro, dan is de quotiteit 80 procent. Elke bank hanteert eigen grenzen.
Recht om vergeten te worden
Een regel die ex-patiënten beschermt bij een verzekering. Na een bepaalde periode mag de verzekeraar geen rekening meer houden met een ernstige ziekte die je hebt gehad, bijvoorbeeld kanker. Hij mag je dan niet weigeren of er een extra premie voor vragen.
Rechtsbijstandsverzekering
Een verzekering die de kosten van een geschil betaalt, zoals de kosten van een advocaat, een deurwaarder of een procedure. Ze wordt vaak als extra bij een andere polis aangeboden, zoals de familiale verzekering.
Referte-index
Een marktrente die het Federaal Agentschap van de Schuld elke maand berekent. Heb je een lening met variabele rente, dan bepaalt de evolutie van die index hoeveel je rente stijgt of daalt wanneer ze herzien wordt.
Registratierechten
Een belasting die je aan het gewest betaalt wanneer je een woning koopt, berekend op de aankoopprijs. Het tarief verschilt per gewest en hangt ervan af of het je enige eigen woning is.
Remgeld
Het deel van de kosten van een geneeskundige verstrekking dat je zelf betaalt, ook al komt de ziekteverzekering tussen. Bij een arbeidsongeval betaalt de verzekeraar ook dat deel terug.
Reservataire erfgenaam
Een erfgenaam die de wet beschermt, zodat je hem niet zomaar kunt onterven, bijvoorbeeld via een testament. Dat zijn je kinderen en je echtgenoot. Broers, zussen, ouders en wettelijk samenwonende partners horen er niet bij.
Reynders-taks
De roerende voorheffing van 30 procent op de winst die een kapitalisatiefonds maakt met zijn obligaties. Ze geldt zodra ongeveer tien procent van het fonds in obligaties zit, en je bank houdt ze meteen in wanneer je verkoopt.
Roerende voorheffing
De belasting die je bank rechtstreeks afhoudt op interest en dividenden, voor het geld op je rekening komt. Het gewone tarief is 30 procent.
Schenkbelasting
De belasting op een schenking die je laat registreren, ook schenkingsrechten genoemd. Ze ligt doorgaans een stuk lager dan de erfbelasting, en ook hier verschillen de tarieven per gewest.
Schuldsaldoverzekering
Een verzekering die bij je overlijden je woonlening, of een deel ervan, afbetaalt. Zo blijven je partner of je kinderen niet met die schuld achter.
Secundaire markt
De markt waarop beleggers bestaande aandelen, obligaties of fondsen aan elkaar doorverkopen. Koop je op de beurs een effect van een andere belegger, dan koop je op de secundaire markt. Schrijf je in op een gloednieuwe uitgifte, dan niet.
Spaarbuffer
Geld dat je apart houdt voor onverwachte uitgaven, zoals een herstelling of een paar maanden met minder inkomen. Wikifin raadt drie tot zes netto-maandlonen aan, op een spaarrekening, zodat je er snel en zonder verlies aan kunt.
Spaarquote
Het deel van het inkomen van gezinnen dat niet wordt uitgegeven aan consumptie. Bij een spaarquote van 10 procent gaat van elke 100 euro inkomen 10 euro opzij, op een spaarrekening, in beleggingen of om een woning af te betalen.
Spilindex
Een drempel in de gezondheidsindex, een maatstaf voor de prijzen. Wordt die drempel overschreden, dan stijgen de sociale uitkeringen en de lonen in de openbare sector enkele maanden later met 2 procent.
Staatsbon
Een lening die je aan de Belgische staat geeft voor een vaste periode, tegen een vaste rente. Op de einddatum krijg je je inleg terug.
Tak 21
Een spaarverzekering met een gewaarborgde rente: de verzekeraar belooft je een vaste basisrente, en kan daar in goede jaren een winstdeelname bovenop leggen. De beurskoersen hebben geen invloed op je geld, maar door de kosten en de taks kun je vooral de eerste jaren minder terugkrijgen dan je stortte. Gaat een Belgische verzekeraar failliet, dan beschermt het Garantiefonds je tak 21-contracten tot 100.000 euro per persoon.
Tak 23
Een levensverzekering die je geld in een of meer beleggingsfondsen stopt. Er is geen gewaarborgde opbrengst: de waarde van je contract gaat op en neer met die fondsen, en je kunt dus ook verlies lijden.
Termijnrekening
Een rekening waarop je geld voor een vaste periode vastzet, van enkele dagen tot tien jaar, tegen een rente die vooraf vastligt. Tussentijds opnemen kan meestal niet, of alleen met een kost.
Testament
Een document waarin je zelf bepaalt wie na je overlijden wat krijgt, binnen de grenzen van de wet. Je schrijft het zelf met de hand, of een notaris stelt het voor je op.
Testamentuitvoerder
Een vertrouwenspersoon die je in je testament aanduidt. Na je overlijden ziet die persoon erop toe dat jouw laatste wensen worden uitgevoerd.
Tracker
Een fonds dat een beursindex zo getrouw mogelijk volgt, in plaats van zelf aandelen te kiezen. Omdat de beheerder geen aandelen hoeft te selecteren, liggen de kosten laag. Veel trackers zijn ETF's.
Variabele rente
Een rente op een lening die op vaste momenten kan veranderen, volgens een referte-index. Hoe vaak ze herzien wordt, hangt af van de formule die je kiest. Bij een woonlening legt de wet een grens vast: de rente mag hoogstens verdubbelen. Het tegenovergestelde is een vaste rente, die de hele looptijd gelijk blijft.
Verborgen gebrek
Een ernstig mankement dat je bij de aankoop niet kon zien en dat de zaak ongeschikt maakt voor normaal gebruik. De wet beschermt elke koper ertegen, ook bij een particuliere verkoper, maar jij moet bewijzen dat het gebrek al bestond bij de verkoop.
Verdachte periode
De termijn na een schenking van bijvoorbeeld geld of effecten die je niet laat registreren. Overlijdt de schenker binnen die termijn, dan telt het geschonken bedrag alsnog mee voor de erfbelasting. Voor nieuwe schenkingen is dat in alle drie de gewesten vijf jaar; voor oudere schenkingen kan nog drie jaar gelden.
Verlopen rente
De rente tussen de laatste rentebetaling en de dag waarop je een obligatie koopt. Die rente hoort bij de verkoper, die de obligatie al bezat. Je betaalt ze als koper bovenop de koers en krijgt ze op de volgende coupondatum met de volledige coupon terug.
Vervaldag
De einddatum van een obligatie of staatsbon. Op die dag betaalt de uitgever het geleende bedrag terug.
Verzekering gewaarborgd inkomen
Een verzekering die uitkeert als je door ziekte of een ongeval niet kan werken. Ze vult het verschil aan tussen je gewone inkomen en wat het ziekenfonds betaalt. Meestal krijg je een maandelijks bedrag, nadat een wachttijd van ongeveer 30 dagen is verstreken.
Vrijstelling of franchise (verzekering)
Het deel van een schade dat je bij een verzekering altijd zelf betaalt. Hoe hoog het is, staat in je polis. Een schade onder dat bedrag levert je dus niets op.
Vruchtgebruik
Het recht om iets te gebruiken en er de opbrengst van te ontvangen, zonder dat het van jou is. Wie het vruchtgebruik van een woning heeft, mag erin wonen of ze verhuren. Wie de eigendom heeft zonder dat gebruiksrecht, heet de blote eigenaar.
Wederbeleggingsvergoeding
De vergoeding die je aan je bank betaalt als je een woonlening vroeger terugbetaalt dan afgesproken, bijvoorbeeld omdat je overstapt naar een andere bank. Ze mag wettelijk niet hoger liggen dan drie maanden interest op het bedrag dat je vervroegd terugbetaalt. Herfinancier je bij dezelfde bank, dan mag ze die vergoeding niet vragen.
Wettelijk samenwonen
Samenwonen met een verklaring bij de gemeente. Het geeft partners een aantal rechten, onder meer bij een overlijden, maar minder dan een huwelijk. Wie zonder zo'n verklaring samenwoont, heet feitelijk samenwonend.
Wettelijk stelsel
De regels die automatisch gelden als je trouwt zonder huwelijkscontract. Elke partner houdt een eigen vermogen, met wat je vóór het huwelijk al had en wat je erft of geschonken krijgt. Daarnaast is er een gemeenschappelijk vermogen met onder meer de lonen en wat jullie samen kopen.
Wettelijke garantie
De garantie die de wet je geeft als je iets koopt bij een professionele verkoper: twee jaar, en bij tweedehandsgoederen inkortbaar tot minstens één jaar als dat vooraf duidelijk is afgesproken. Bij een particuliere verkoper bestaat ze niet.
Wilsonbekwaam
Je bent wilsonbekwaam als je de gevolgen van je beslissingen niet meer kunt overzien, bijvoorbeeld door dementie, een ongeval of een zware ziekte. Een gewone volmacht vervalt dan, een geregistreerde zorgvolmacht niet.
Wisselkoers
De prijs van een munt uitgedrukt in een andere munt, bijvoorbeeld hoeveel dollar je krijgt voor één euro. Beleg je in bedrijven die in dollar noteren, dan verandert de waarde van je belegging in euro ook mee met die koers.
Zichtrekening
De rekening waarop je loon binnenkomt en waarmee je dagelijks betaalt, met je bankkaart of via je app. Er staat doorgaans geen of nauwelijks rente op.
Zorgvolmacht
Een schriftelijke volmacht waarin je vooraf aanduidt wie je zaken mag regelen als je dat later zelf niet meer kunt. Ze moet geregistreerd zijn in het Centraal Register van Lastgevingen. Zonder zorgvolmacht stelt de vrederechter zo nodig een bewindvoerder aan.
Zwakke weggebruiker
Een voetganger, fietser of passagier die de wet bij een aanrijding met een motorvoertuig extra beschermt. De verzekeraar van het voertuig vergoedt je lichamelijke schade, ook als jij zelf in fout was. Schade aan je fiets valt daar niet onder.