Hoe kleine kosten een groot gat slaan

Rendement kun je potentieel verdienen. Kosten zijn een feit. Op 100.000 euro en dertig jaar tijd scheelt 1,5 procentpunt aan kosten je bijna 200.000 euro eindkapitaal.

Een paar klikken en je bent belegd. Zo snel koop je vandaag een fonds of ETF. Onderweg krijg je meestal nog het advies om een paar documenten na te lezen voor je op de koopknop duwt.

Ergens in die documenten staat ook wat het kost. Meestal op pagina twee of drie. Nochtans zijn dat de enige cijfers in het hele document die je met zekerheid kent. Rendement is een verwachting. Kosten zijn een feit.

Wat 1,5 procentpunt doet in dertig jaar

Neem 100.000 euro, dertig jaar en 6 procent brutorendement per jaar. Geen optimistische aanname, geen sombere.

Zonder kosten groeit dat aan tot 574.349 euro.

Met 0,25 procent kosten per jaar, wat een goedkope wereldwijde tracker ongeveer aanrekent, hou je 535.071 euro over.

Met 1,8 procent, wat voor een actief beheerd fonds bij een grootbank niet uitzonderlijk is, blijft er 343.583 euro staan.

Het verschil tussen die laatste twee is 191.488 euro. In dit voorbeeld presteerden beide producten bruto exact even goed. Geen enkele euro van dat verschil komt uit een slechte belegging. Alles komt uit de kosten, en uit het rendement dat je daardoor misloopt.

Zo bekeken betaal je geen 1,8 procent per jaar. Op lange termijn geef je een aanzienlijk deel van je potentiële eindkapitaal weg.

En dat effect wordt vaak onderschat. Kosten werken namelijk niet alleen één keer tegen je. Elk jaar halen ze geld uit je portefeuille, waardoor er het jaar daarop minder kapitaal overblijft om rendement mee te maken. Het is het rente-op-rente-effect, maar dan in de verkeerde richting.

Waar de kosten zich verstoppen

Zelden op één plek, en dat is precies de moeilijkheid.

Instapkosten. Eenmalig, vaak 1 tot 3 procent, en vaker onderhandelbaar dan mensen denken. Het meest zichtbare bedrag, en meestal niet het belangrijkste.

Lopende kosten. Het jaarlijkse percentage dat van je belegging afgaat voor beheer, administratie, transacties en distributie. Dit is het cijfer dat over dertig jaar het verschil maakt.

Bewaarloon. Wat je bank aanrekent om je effecten te bewaren. Bij de ene gratis, bij de andere enkele tienden van een procent per jaar op het hele bedrag.

De taks op beursverrichtingen. Bij aan- en verkoop van beursgenoteerde effecten, met een tarief dat verschilt naargelang het soort effect.

En sinds januari 2026 de meerwaardebelasting, die 10 procent neemt van je gerealiseerde winst boven de jaarlijkse vrijstelling van 10.000 euro per persoon.

“Maar een duurder fonds presteert toch beter?”

Het is een redelijke gedachte. Ze wordt ook al decennia onderzocht, en de uitkomst is opmerkelijk hardnekkig.

S&P Dow Jones Indices houdt daarvoor de SPIVA-scorecard bij. Over de tien jaar tot eind 2025 haalde 97 procent van de actief beheerde Europese aandelenfondsen in euro hun eigen referentie-index niet (bron).

Dat komt niet doordat die beheerders slecht zijn. Het komt doordat ze elk jaar opnieuw een voorsprong moeten goedmaken die van hun rendement wordt afgetrokken nog voor ze begonnen zijn.

Er zijn beheerders die het wel halen. Het probleem is dat je vooraf niet weet welke, en dat de lijst met winnaars van de voorbije tien jaar een slechte voorspeller is van de volgende tien.

John Bogle bracht in 1976 het eerste indexfonds voor particulieren op de markt. Niet omdat hij dacht dat fondsbeheerders hun werk niet konden, maar omdat hij had uitgerekend dat kosten het verschil maken en talent nauwelijks.

Wat dit niet betekent

Dit is geen pleidooi om alleen nog trackers te kopen.

Er zijn goede redenen voor een actief fonds. Een niche waar indexering slecht werkt. Een strategie die je zelf niet kunt opzetten. Of gewoon dat je met begeleiding wél belegd blijft tijdens een slecht jaar, en zonder begeleiding niet. Dat laatste is geen detail. Wie in maart 2020 in paniek verkocht, betaalde meer dan welk beheerloon ook.

Advies mag geld kosten. De vraag is alleen of je weet wat je betaalt en waarvoor.

Drie vragen voor je koopt

Eén. Wat zijn de totale lopende kosten van dit product, in procent per jaar, alle lagen samen?

Twee. Wat kost dat je in euro’s op jouw bedrag, per jaar en over tien jaar? Reken het uit, schat niet.

Drie. Bestaat er een goedkoper alternatief met een vergelijkbaar risicoprofiel?

De antwoorden staan altijd ergens in de documenten. Alleen zoekt bijna niemand ze op.

Bronnen

Dit artikel is algemene informatie, geen beleggings-, fiscaal of juridisch advies. De redactie haalt haar informatie uit betrouwbare bronnen, maar kan niet instaan voor de juistheid of de actualiteit ervan en is niet aansprakelijk voor schade als die informatie onjuist of verouderd blijkt. Cijfers en regels wijzigen: toets je eigen situatie altijd af bij je bank, verzekeraar, notaris of adviseur. Fout gespot? Neem contact op.

kostenfondsenETFsamengestelde interest

Verder lezen

Alle artikels →
Beleggen

Coast FI: het getal dat zegt dat je genoeg hebt belegd

Coast FI rekent uit vanaf welk bedrag je niets meer hoeft bij te leggen voor later, omdat de tijd het werk doet. Wie dat getal met een voorzichtig rendement berekent, komt vaak uit op het drievoudige van wat online circuleert. Als controlepunt is het wel bruikbaar.

4 min lezen